Sietske de Vet

Specialist in fiets- en wandelroutes, tekst en redactie. Kano-expert.
Sietske de Vet

Latest posts by Sietske de Vet (see all)

    IJsland

    Globaal gesproken kun je IJsland indelen in het zuiden, noorden, oosten en het westen. In het midden bevindt zich het onbewoonde, ruige binnenland. Wie voor het eerst naar IJsland gaat, kiest meestal niet voor één regio. Tenzij je een trektocht in het binnenland maakt of een stedentrip in Reykjavík. Veel mensen volgen de ringweg (1339 km). Een enkeling doet dat per fiets, maar de meesten kiezen voor een (huur)auto of voor een georganiseerde reis. Als je genoeg tijd uittrekt voor de ring (minmaal twee weken), kun je op sommige plekken wat langer blijven om er te wandelen (of te fietsen). De ring is grotendeels geasfalteerd en ’s zomers goed te rijden met een gewone auto.

    De officiële indeling van acht regio’s wordt vooral gebruikt voor statistische doeleinden. De indeling die samenhangt met de wegnummering lijkt er een beetje op en is heel praktisch. De sectoren 2 t/m 9 beginnen in het zuiden en draaien met de wijzers van de klok mee. De wegnummers beginnen altijd met het cijfer van de sector waar de weg ligt. Belangrijke wegen hebben twee cijfers, minder belangrijke drie. Als je op weg 26 zit, ben je in het zuiden van IJsland. Weg 261 is een zijweg van de 26. Wegen in het binnenland met een ‘F’ zijn alleen voor 4WD’s. Er is één uitzondering: de ringweg. Deze belangrijkste doorgaande weg heeft een eigen nummer. En dat is, niet verwonderlijk, de 1.

    Hoogtepunten

    Omdat veel toeristen op IJsland de ring volgen, geef ik geen indeling per regio. Ik beschrijf aan de hand van de ring een paar hoogtepunten. De volgorde is tegen de wijzers van de klok in. Je kunt uiteraard ook kiezen voor de omgekeerde richting. Op nl.visiticeland.com staat veel informatie over IJsland.

    Twee derde van de IJslandse bevolking woont in de hoofdstad (en de voorsteden van) Reykjavík. In deze moderne stad in het zuidwesten van het land vind je fraaie gebouwen, winkels, musea, kerken, universiteiten en een bruisend nachtleven.

    Vanuit Reykjavík bezoeken veel mensen in één dag de zogeheten Gouden Driehoek. Hoewel het geen origineel uitstapje is, is het toch de moeite waard.

    Thingvellir (nationaal park) ligt precies op de Mid-Atlantische breuk, een geologische grens tussen het Europese en het Noord-Amerikaanse continent. De 40 kilometer lange en 6 kilometer brede verzakking wordt elk jaar ietsje groter. Grote delen zijn bedekt met lava en langs de randen liggen scheuren en kloven. Sinds het jaar 930 kwam de volksvertegenwoordiging er al bijeen. Nog steeds vinden er belangrijke nationale gebeurtenissen plaats, waar veel IJslanders op af komen. Zie www.thingvellir.is/english.

    De tweede poot van de Gouden Driehoek is Gullfoss, één van de bekendste watervallen van het land. De derde bezienswaardigheid is de Geysir en Strokkur, twee indrukwekkende geisers. Geysir betekent in het IJslands ‘spuiten’, en dat is precies wat hij doet. De Strokkur spuit minder hoog dan de Geysir, maar vaker: om de 4 tot 8 minuten. Iedereen staat vol spanning met zijn camera in de aanslag totdat het water omhoog spuit (zie onderstaand filmpje).

    Deze 120 meter hoge kaap is het zuidelijkste puntje van IJsland. De vogelrotsen, het zwarte strand en de vuurtoren met prachtig uitzicht maken het tot een bijzondere plek. De papegaaiduikertjes zijn ronduit vertederend. De kleine vogeltjes met oranje snavel en grote zwemvliezen hebben hun nest halverwege de steile rotsen. daarom mag je er tijdens het broedseizoen (mei, juni) niet komen. Maar ook in juli kun je de vogeltjes spotten. Pas in augustus vertrekken ze naar hun wintergebieden op zee.

    Het grootste nationale park van Europa bestaat uit berkenboompjes (voor IJsland heel bijzonder!), watervallen en een rijke flora. Bij de ingang van Skaftafell is een camping en een bezoekerscentrum. Er starten veel bewegwijzerde wandelroutes (zie Wandelmogelijkheden).

    Heel bijzonder is het gletsjermeer Jökulsárlón: een bijna 200 meter diep meer aan de uitlopers van de Vatnajökull. De vele ijsschotsen in allerlei vormen zijn prachtig om te zien. Heel langzaam drijven ze onder een grote brug door naar zee. Dat is minstens zo spectaculair, want heb je ooit een witte ijsklomp op een zwart strand gezien?

    Hier, in het noordoosten van IJsland, moet je beslist een paar dagen blijven. Want er is veel te zien en te doen. De muggen – die bij mooi weer ook elders op IJsland rondzwermen – zitten graag in je oren, neus en mond. Erg hinderlijk, maar ze steken meestal niet. Een muskietennetje biedt uitkomst. Er is zo veel te doen in Myvatn, dat je beter een reisgids kunt doornemen of de locale VVV kunt bezoeken. Drie tips:

    • Hverir is een hete bronnengebied met kokende modderpoelen en dampende zwavelbronnen. Tegenwoordig moet je toegang betalen, maar het is de moeite waard. Het stinkt overigens enorm naar zwavel, sommigen worden er misselijk van.
    • De Krafla-centrale, een geothermische centrale met grote buizen en spuitende stoom, biedt een surrealistische aanblik. ’s Zomers worden er rondleidingen gegeven en in de naaste omgeving kun je goed wandelen (zie Wandelmogelijkheden).
    • De Jardbadshólar is een geothermaal bad waar je lekker kunt ontspannen (www.visitmyvatn.is/en).

    Deze vissersplaats in het uiterste noorden van IJsland is bekend vanwege de walvissafari’s. Trek warme kleren aan en boek alleen een safari bij redelijk weer. Ik heb zelf slechte herinneringen aan dit plaatsje, omdat we met erg harde wind de zee op gingen. Vrijwel alle passagiers werden zeeziek. Uit eigen ervaring kan ik je vertellen dat die walvissen je dan iets meer kunnen schelen. Bij mooi weer is een walvissafari echter een geweldige belevenis.

    Nog een tip: een snelle RIB-boot is duurder dan een traditionele vissersboot, maar je hebt veel minder last van hoge golven omdat je er als het ware overheen scheert!

    Dit uitgestrekte fjordengebied in het noordwesten van IJsland is vrijwel onbewoond. Op veel plekken tref je leegstaande en in verval zijnde boerderijen aan. In de jaren ’50 trokken veel vissers en boeren weg uit dit geïsoleerde stukje IJsland. Er waren destijds nauwelijks wegen; veel plaatsen waren alleen per boot bereikbaar. Hoewel het gebied nu beter ontsloten is, slaan veel toeristen het over. Misschien omdat het weer er slechter is dan elders in het land. Misschien ook omdat het zo uitgestrekt is en je er te weinig tijd voor hebt. Het gebied kenmerkt zich door prachtige fjorden, veel vogels, zeehonden en vooral heel veel rust (zie ook Wandelmogelijkheden).

    Snaefellsnes is het grootste schiereiland van IJsland. Het ligt in het westen, onder de Westfjorden. Alles wat je op IJsland tegenkomt, zie je hier op een betrekkelijk klein oppervlak: vulkanen, kliffen, zwarte stranden, lavavelden, fjorden en warme bronnen. Snaefellsnes is goed te combineren met je rondreis. In twee á drie dagen krijg je een goede indruk. Snaefellsnes is ook de naam van een nationaal park.

    Dit ongerepte gebied in het binnenland van IJsland is alleen met een 4WD terreinauto te bereiken. De lijnbus vanuit Reykjavík komt er ook. De grindwegen met rivierdoorsteken vragen het nodige van de chauffeur. Daarom kun je ook een georganiseerde tour boeken.

    Je kunt er alleen in juli en augustus komen. Het landschap is prachtig: ruig en ongerept. De bergen kleuren er rood, geel, bruin, grijs en groen. Zie ook Wandelmogelijkheden.

    Ten zuidwesten van Reykjavík ligt een schiereiland dat ook de moeite van een bezoek waard is. Elke toerist gaat naar de Blue Lagoon, een hete bronnenbad waar je je uren kunt vermaken. En dat mag ook wel, want de entreeprijs is fors (www.blue-lagoon.com).

    Rijd daarna naar de hete bronnen van Krysuvík. Of naar het uiterste zuidwestelijke puntje: Reykjanesviti met de vogelrots. Zeer spectaculair is een afdaling in de magmakamer van de vulkaan Prihnukagigur. Vooraf reserveren is noodzakelijk, reken op ruim € 300 p.p. (www.insidethevolcano.com). Meer informatie over het schiereiland: www.reykjanes.is.

     

    De Strokkur in de Gouden Driehoek