Van alle landen rondom de Middellandse Zee heeft Italië misschien wel het prettigste klimaat voor wandelaars. Maar er zijn wel duidelijke regionale verschillen:

  • De Italiaanse Alpen hebben een typisch bergklimaat: koeler (vooral op grote hoogte), meer regen en vaak ook wat wisselvalliger weer. Het westen (Aosta) is wat droger maar ook warmer; het oosten (Julische Alpen) is koeler maar ook natter.
  • Pal ten zuiden van de Alpen ligt de Povlakte: ’s zomers zonnig en heet, ’s winters koud en nat (ook sneeuw). In de zomer kan het hier ook behoorlijk regenen.
  • De Apennijnen, zeg maar de ruggengraat van Italië, heeft weer licht alpiene trekken: wat koeler en regenrijker dan het warme zuiden.
  • De kuststrook en het zuiden hebben ronduit mediterrane trekken: warme en droge zomers, zachte winters. Maar zelfs hier liggen de maximumtemperaturen in de zomer meestal niet boven de 30 graden – of er moet sprake zijn van een hittegolf.

Al met al zijn de Italiaanse Alpen prima geschikt voor zomerse wandel- en fietstochten, terwijl de rest van het land zich wat meer leent voor tochten in voor- en najaar. Zomerse wandelingen zijn in principe ook best te doen, maar hou wel rekening met de temperatuur: neem extra water mee, pas het looptempo aan en wandel zo min mogelijk tijdens de warmste uren van de dag.

Nationale & regionale parken

Italiës eerste nationale park dateert van 1922, maar pas in de jaren 90 is het aantal flink toegenomen. Momenteel zijn er 20 nationale parken, met nog eens 4 in aantocht. Samen beslaan ze 6% van de totale oppervlakte van Italië en liggen ze verspreid over het hele land, met uitzondering van Sicilië.

Verder zijn er meer dan 120 natuurparken, waarvan het merendeel in het noorden ligt, en ruim 400 natuurreservaten met bijzondere planten, dieren of ecosystemen.

Voor een totaaloverzicht: www.parks.it, de website van de Federazione Italiana Parchi e Riserve Naturali. Hier vind je alle beschermde gebieden in Italië, ieder toegelicht met hun belangrijkste kwaliteiten.